naar vorige pagina
Homoseksualiteit in Nederlandse literatuur

a. Jacob Israël de Haan: Onrust en zuchtend verlangen

b. Louis Couperus: Decadentie in de oudheid

c. Van Deyssel, Musil e.a.: Bijzondere Vriendschappen.



Jacob Israël de Haan: Onrust en zuchtend verlangen

Op 1 januari 1881 werd Carolina de Haan geboren, op 31 december datzelfde jaar haar broer Jacob Israël. Zij schreef als Carry van Bruggen over hun jeugd, over feminisme en idealen maar ging in depressiviteit ten onder. Hij werd onderwijzer en letterkundig medewerker van het socialistische Zondagsblad, waarin hij ook aan de kinderrubriek meewerkte. Hoofdredacteur P.L. Tak suggereerde hem een jongensboek te schrijven, maar de Haan beschreef in "De Pijpelijntjes" het samenwonen van twee mannen in Amsterdam. Een boek over een homorelatie in 1904, over Joop (overgevoelig, verlangend) en Sam (afwijzend, agressief) op een kamer met dubbel alkoof, voor achttien pop. "Zeg Sam, ik heb zo bar gesjouwd. Geef me een zoen. Nee hoor, neem er maar een als je zin hebt. En over het bruine gezicht van Sam boog ik heen. Met een verende borstbuiging boog hij op en gaf me een slag tegen mijn ogen aan, dat wit licht, geelwit voor mijn gezicht opfelde." Joop begeert straatjongens als Koos: "vuilprachtig met z'n goudbruindoorgloeide ogen en z'n blinkwitte tanden. Op z'n knieën een bruinharde vuilkorst met witte splijtbarstjes, twee vuilplekken op z'n borst". Sam haalt Tonia in huis, studeert af als arts, wil gaan trouwen, maar krijgt een heftige longontsteking.

Door deze roman raakte de 22-jarige auteur zijn baan bij Het Zondagsblad kwijt. De Haan droeg het boek op aan Arnold (Sam) Aletrino die later schreef: "Hij is een geweldig gedegenereerd individu ontbloot van alle moreel gevoel en daarbij bisexueel met overwegend homosexuele neigingen. Als je hem ziet, denk je dat je een gek voor je hebt, zo raar kleedt hij zich, en zo mal doet hij." De eerste druk van 'Pijpelijntjes' werd door Aletrino en de verloofde van de Haan opgekocht. Nog in 1904 verscheen een andere versie met als hoofdfiguren Cor en Hans, straatnamen veranderden, een schandknaap van 14 werd bijna volwassen genoemd. De opdracht werd vervangen door een citaat van Catullus: "Ik zal van voren en van achteren ontucht met u plegen, gij die - omdat mijn versjes wat losbandig zijn - daarom ook mij voor weinig zedig houdt".

Lodewijk van Deyssel weigerde een voorwoord te schrijven, want "een boek als het uwe bevordert gevoelingen en gedragingen zo als die, welke er met zoveel talent in zijn beschreven". 'Pijpelijntjes' werd vanaf 1974 herdrukt. In 1908 publiceerde de Haan met 'Pathologieën' opnieuw een homo-erotische roman, met bruutwrede trekjes. Midden jaren '80 herdrukt evenals 'Nerveuse vertellingen' en 'Ondergangen'. Hij huwde in 1907, werd verbonden aan de Gemeentelijke Universiteit als doctor in de rechten. Op 30 juni 1924 werd de Haan in Jeruzalem vermoord. Hij was de dichter van het Joodse Lied, maar ook van Kwatrijnen als Vergeefs:

"Die door verlangen en herinnering
Onrust, om rust naar 't zeestrand ging
Hij zag de knapen badend naakt en teer
Hij zuchtte en vond al zijn onrust weer."




Louis Couperus: Decadentie in de oudheid

Louis Couperus (1872-1877) publiceerde in 1906 'De berg van licht'. Antonius Bassianus is hogepriester in de Syrische stad Emessa. Men gelooft dat de Zonnegod Helegabalus in hem geïncarneerd is. De vijftienjarige jongen heeft een buitengewoon mooi lichaam; zijn vrouwelijke bewegingen en violetkleurige ogen maken hem aantrekkelijk voor man en vrouw. Zijn eredienst bestaat uit een (naakte) dans om een fallusvormige Zwarte Steen, waarmee hij duizenden toeschouwers in vervoering brengt. Hij wordt door Romeinse soldaten (in 218 na Christus) uitgeroepen tot keizer. 'Het leger was verliefd op zijn god en zijn keizer: zij snoefden, de tientallen duizenden, tegen elkander op, tot wie hij geglimlachd had, tot wie hij een woord had gezegd ...' In Rome worden grote decadente feesten gevierd, overal vinden orgiën plaats. Het keizertje houdt van seks en vooral van grote, gespierde mannen. Hij wordt verliefd op de wrede wagenmenner Hierocles en trouwt met hem. Van de bruidsnacht is een menigte getuige. Antonius wil alle goden onderwerpen aan de zijne. Hij spot met andersdenkenden en pleegt heiligschennis door het beeld van de godin Rheia Kubele te roven. Als hij de Vestaalse Maagd Severa (symbool van de deugd) tot een huwelijk dwingt, keert het volk zich tegen hem. Na vier jaar eindigt zijn regering; hij wordt in een gruwelijk bloedbad omgebracht.

De dandy Couperus was getrouwd met zijn nicht Elisabeth, maar onderhield intense (ook intieme?) vriendschappen met diverse heren. Hij schreef emotioneel geladen verhalen over zijn Italiaanse vriend Orlando.
"Hij grijpt mij bij de schouders, en schudt mij, in scherts. Ik weet niet waarom, maar zijn handen op mijn schouders, en zijn scherts doen mij heerlijk aan. Ik stoei even terug, mat, maar welwillend. 'Orlando', zeg ik vertederd, 'wat zou ik doen ... zonder jou?"
Couperus leefde zijn homo-erotische voorkeur ook in andere in de oudheid spelende verhalen uit. In de roman Iskander (1920) schrijft hij over de laatste jaren van Alexander de Grote (356 - 323 voor Christus). De perverse oppereunuch Bagoas, zijn geliefde en dienaar, verleidt en bedwelmt hem met gekruide wijnen. Het leven van de hoogmoedige Alexander loopt noodlottig af.

'De komedianten' (1917) is een vrolijker boek over het klassieke Rome (ca 96 na Christus). De tweeling Cecilius en Cecilianus zijn mooie, ondeugende knapen, die begerige blikken van oudere mannen opwekken.




Van Deyssel, Musil e.a.: Bijzondere Vriendschappen.

In de bloeiperiode van het 'rijke roomse leven' telde Nederland een honderdtal katholieke jongenskostscholen. Onder het oog van God werden knapen opgeleid tot priester of klaargestoomd voor de maatschappelijke elite. Ook Lubbers en van Mierlo zijn zo gevormd. Lang gold de regel dat je tijdens activiteiten met minimaal drie jongens optrok. Een stoeipartij van een puber van 16 met een speels jochie van 13 met een aantrekkelijk smoeltje kon al gauw ontaarden in erotische handelingen. De omgang van oudere met jongere leerlingen was daarom verboden. Nog in 1964 leidde J. M. Gijsen, de latere bisschop, een razia tegen seksuele kontakten. Tientallen leerlingen werden van school gestuurd.

In 1888 publiceerde Lodewijk van Deyssel 'De kleine republiek' (herdrukt in 1989) waarin hij Rolduc bij Kerkrade beschrijft. De 12-jarige Willem verlangt naar de iets oudere Scholten. "Zij gingen zitten op de onderste tree, luisterden of er niet iemand kwam, maar de hoge kerkstilte bleef onbewogen achter hen. Dan schoof Willem zich zo, dat zijn rechterdij helemaal de geliefde raakte. Dan pakte hij hem aan, met zijn grove jongenslinksheid, zijn rechterarm langs de grijze rug doend, zijn linkerarm over de linker van de geliefde en over zijn borst, tot zijn handen vreemd elkaar voelden en samenvatten op die rechterschouder. Dan drukte hij zich tegen hem aan en zoende hem op zijn wangen en zijn mond." De roman werd weerzinwekkend genoemd, een boek viezer dan er denkelijk ooit één in Nederland werd geschreven.

Over R.K. Inrichting Huize Kindervrede verhaalt Boudewijn Büch in 'Het dolhuis' (1987). Driemaal daags bidden in de kapel, koude douches, briefcensuur, spionerende ogen, slapen op stro. "Zuster Makela liep naar de dichtsbijzijnde jongen en sloeg met een pantoffel tien keer op zijn billen. Hij kreunde of kermde niet. Toen de zuster klaar was, trok de jongen zijn goed omhoog en sprak mechanisch: Dank u, zuster. Door gehoorzaamheid tot Jezus."

In Nederland waren ook 60 meisjespensionaten. Marie-Louise Doudart de la Greé, gehuwd en moeder, bekende openlijk haar liefde voor vrouwen. Befaamd is haar intieme correspondentie met Anna Blaman. Uit 1938 is haar 'Zondaressen' over een gesticht voor meisjes onder toezicht van de voogdijraad. Elke aanraking, zoen of andere intimiteit uit speelsheid of troost werd door wit of zwart geklede nonnen bestraft. "Herhaaldelijk waren er klachten gekomen van consacrées die Paula wat 'vreemd' vonden, ze kon of wilde niet leren borduren en tijdens de recreatie hadden zij haar vaak betrapt op het zingen van liedjes waarvan de wijs deed vermoeden dat het minderwaardige versjes waren uit 'slechte lokalen'. Ook had Paula in de slaapzaal vaak onbeschaamde blikken geworpen op de andere meisjes."

'Les amitiés particulières' van Roger Peyrefitte (1945) werd vertaald als 'Verholen vriendschap' Bruna 1966. Een roomskatholiek jongensinternaat in Frankrijk. Er wordt veel gebeden en gekerkt. De jongetjes leven in een strakke discipline, maar schrijven elkaar liefdesbriefjes en gedichten. De kas is een voortreffelijke ontmoetingsplaats. "Georges ging aan de voeten van Alexander zitten. Hij keek naar zijn blote benen en drukte zijn hoofd tegen de knieën vol littekens. Hij had zo willen slapen, zo willen sterven. Zijn hele leven scheen slechts voor dit ene ogenblik geleefd." Pater Lauzon dwingt Georges de vriendschap op te zeggen. "Ik heb hem de papieren gegeven die jij gestuurd had. Even bleef hij er roerloos mee in zijn handen staan, toen maakte hij uiterst koel zijn portefeuille open en haalde er jouw brieven uit. Hij gaf ze me met de papieren die ik hem had overhandigd, draaide zich om en ging zonder een woord te zeggen heen." Twee uur later wordt de twaalfjarige Alexander vergiftigd dood gevonden.

Uit 1906 is 'Die Verwirrungen des Zöglings Törless' van Robert Musil. Bij Polak & Van Gennep als 'De ervaringen van de jonge Törless'. Verfilmd en onlangs op het Nederlands toneel gebracht. Een verwarrende initiatie in de wereld van sex en geweld, het domein van het irrationele, dat vanouds door de religie wordt getemd. Een 16-jarige kadet op een militair internaat is getuige van sadistische rituelen. In een verborgen kamer op zolder moet Basini naakt door het stof kruipen, wordt hij afgeranseld en seksueel misbruikt. "Maar naarmate de afkeer groeide, werd ook de neiging om naar Basini toe te gaan sterker. Een puur lichamelijke drang scheen Törless als met een lasso uit zijn bed te trekken. Heel langzaam kwam hij overeind, een knie schoof tevoorschijn van onder de deken ... en toen rende hij blootsvoets, op zijn tenen naar Basini en ging op de rand van zijn bed zitten."

Over het systeem van erecodes op een upperclass-school schrijft Elizabeth George in 'Klassemoord' (1990). De broeierige sfeer op internaten barstensvol onderdrukte of opstandige jongens is te zien in films als 'If' van Lindsay Anderson (1968) en 'The devils playground' van Fred Schepisi. Jonge criminelen zijn ruw in 'Mere à perde' en nog harder in 'Les minets sauvages' van Cadinot.

Tenslotte een citaat uit een missaal (1965). "O, mijn God, wat een ongeluk zou het voor mij zijn in een zogenaamde vriend een handlanger van de duivel te vinden. Geef dat ik niet zozeer lette op uiterlijke bevallige hoedanigheden, zelfs niet op bloedverwantschap en deugd. Scheen hij ook de beste van mijn vrienden, dat ik hem voortaan vlucht gelijk ik een moordenaar ontvluchten zou."



naar volgende pagina