naar vorige pagina
Vervolg Homoseksualiteit in Nederlandse literatuur

d. Stokvis, Blaman: De Homosexueelen.

e. Willem De Mérode: Het boek OKKE.



Stokvis, Blaman: De Homosexueelen.

De Amsterdamse advocaat Benno Jules Stokvis (1901 - 1977) zag in zijn praktijk veel homoseksuelen die leden onder een innerlijke strijd tussen het verbergen van hun gevoelens en het verlangen naar contacten. Vooral artikel 248 bis uit het Wetboek van Strafrecht was een bedreiging voor deze 'uraniërs' of 'geïnverteerden'. Volgens deze wet, ingevoerd in 1911, werd "de meerderjarige, die met een minderjarige van hetzelfde geslacht ontucht pleegt, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar". In 1934 pleitte Stokvis in zijn boekje "Homosexualiteit en strafrecht" vergeefs voor afschaffing (de wet werd in 1971 geschrapt).

In 1939 publiceerde hij "De Homosexueelen: 35 autobiografieën". Hij wilde "artsen, psychologen, geestelijken, rechterlijke ambtenaren, advocaten en politie-mannen, in staat stellen het inzicht in het raadselachtig phenomeen waarover hier gehandeld wordt, te verdiepen". De levensgeschiedenissen (26 mannen en 9 vrouwen) geven een beeld van de jaren dertig: homo's zagen zich als een 'derde geslacht', binnen een relatie was vaak sprake van een 'feminine' en 'virile' partner. Er was eenzaamheid, wanhoop en isolement. Het materiaal kwam van het NWHK (Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee) en uit zijn eigen juridisch bestand. Bijdragen leverden Jaap van Leeuwen (Arent van Santhorst, van het blad Levensrecht), Niek Engelschman (Bob Angelo, oprichter COC) en de beginnende schrijfster Anna Blaman.

Al voor verschijnen noemde De Telegraaf het een bundel van 35 abnormalen, de R.K. Artsenvereniging waarschuwde tegen homoseksuele ontucht, het NSB-blad Storm schreef over volksbederf. In die tijd verdwenen in Duitsland al mannen met roze driehoeken in concentratiekampen. Stokvis kwam als 'buitenstaander' op voor een minderheid. Tijdens de oorlog kon hij joden onttrekken aan gevangenschap of deportatie. In 1946 kwam hij voor de CPN in de Tweede Kamer. Tussen 1967 en 1975 werd hij bekend door de radio-rubriek 'Recht en slecht', waarin hij bleef vechten tegen onrecht, in elke vorm.

Citaten:

XIV (man): "Op de H.B.S. vond ik den directeur, een kaalhoofdige man met een baard, aardig. Van zekere perversiteiten onder m'n medescholieren, waarvan ik weleens hoorde, was ik afkerig. Mijn aandacht ging steeds uit naar volwassenen. Maar ik vond niemand, die mijne gevoelens beantwoordde. (...) Ongeveer 32 jaar oud en door een erfenis onafhankelijk geworden, gaf ik voor het eerst toe aan mijn natuur. Ik was toen in Amsterdam. In een groote stad kun je gemakkelijk kennis maken. Maar deze vriend ontpopte zich als een chanteur."

XXI (man): "Het toeval deed mij op 26-jarigen leeftijd, bij een familielid, een huisknecht ontmoeten, dien ik gekleurde damessigaretten offreerde, waarop deze jongeman mij zonder schroom en lachend toevoegde: 'Meneer is zeker óók zoo?' Hij vertelde dat hij met een vriend 'leefde', die een vleugel had en noodigde mij uit, eens bij hen thuis te komen, om zijn vriend te accompagneren, die een goed violist was. (...) Het was als een verademing in dit gezelschap zich zonder reserve en natuurlijk te kunnen voordoen, te kunnen spreken over muziek en andere kunsten, boeken over onze lotgenoten, en over kleeren, parfums, en zóóveel dingen, die anders geacht worden een 'man' niet te interesseeren."

Bijdrage XXXIV is van Anna Blaman: "Hansie was uitgegroeid tot een meisje van twintig. Ze had geen charme voor de 'heeren'. Ze leek dor, koel. Toch kon ze zo 'sehnsüchtig' wegstaren van achter haar bril. Wat zou die Hansie wel bezielen, dat stille onvolwassen en toch rijpe meisje? De dame begon te experimenteren. Ze lachte Hansie met gloeiende oogen toe, ze legde al pratend een hand op Hansie's arm, ze boog zich over Hansie's bureau zoodat Hansie een kloppenden warme hals en zacht glooiende borsten binnen haar bereik zag."





Willem De Mérode: het boek OKKE.

Willem Eduard Keuning (1887-1939) was meester van een lagere school in Uithuizermeerden. Hoewel de leerlingen van zijn vertelkunst genoten en ouders de ongetrouwde onderwijzer prezen, was hij een eenzaam mens met een wanhopig geheim. Als Willem De Mérode bezong hij Gods schepping in de christelijke bladen, maar hij verborg zijn hartstocht voor de schoonheid van opgroeiende knapen. Hij hield van hun levensvreugde, zachtheid en kwajongensachtige vermetelheid. In 1911 werd hij verliefd op een 17-jarige medestudent: "Gij zaagt mij aan met groot-verwonderde oogen, En nog weet ik dien eersten teeren blik, En nog voel ik dien zalig-zoeten schrik, Ik zou voortaan alleen u minnen mogen". De liefde werd niet beant-woord. Er volgden andere aanbedenen: knapen uit het dorp, jochies uit zijn klas.

In 1915 werden de 10-jarige Okke en Jaap zijn leerlingen. Ook toen de jon-gens van school af waren, bleef het contact in stand. De Mérode legde een claim op de jongens, dwong hun vriendschap af. Ze bezochten hem tijdens ziektes en vrolijkten hem op. De Mérode dichtte over de guitige Jaap, maar vooral over de serieuze Okke, zijn ideale jongen. Vaak kreeg deze een boekje met poëzie mee, maar hij keek er nauwelijks in. Februari 1924 hoorden Jaap en Okke dat hun vroegere meester zich misdragen had met een 16-jarige jongen. De Mérode werd ontslagen en wegens art. 248bis tot acht maan-den veroordeeld. De kerkeraad van Uithuizermeede verwachtte een openbare schuldbekentenis. Hij weigerde zijn homoseksuele handelingen en gevoelens te verwerpen en onttrok zich aan de Gereformeerde gemeenschap.

Okke wilde hem nooit meer zien, reageerde niet op brieven en of toegezonden bundels. Toch bleef hij het idool voor De Mérode. In 1934 maakte De Mérode het boek OKKE. Beginnend met portretten van het 12-jarige joch: "Hij wist niet wat er wentele en wrong, Diep in mijn ziel, wat onrust hij bezwoor, Zijn lach was argeloos gelijk tevoor, Zijn oogen als zijn zingen stralend jong." Eindigend met de pijn over de verloren geliefde: "Gij kunt mij niet meer uit uw leven dringen, Omdat ik heersch in uw herinneringen, Zoals een damp naakt opstijgt uit de zee, Om in zijn witte duister u te hullen, En heel uw worstlend wezen te vervullen, Met zijn benauwing en verstikkend wee".

Willem De Mérode trok zich, als een uitgestotene, terug in stilte en eenzaamheid. Hij had zijn reputatie in de christelijke letterkundige goegemeente verspeeld, was een ontspoorde die net als Oscar Wilde en Paul Verlaine 'den geest van Sodom en Gomorra boven Christus in zijn ziel liet heerschen'. Zijn dichterschap hield stand en na aanvankelijke moeite lukte het hem een bestaan als literator op te bouwen. Hij putte zich uit, werkte nachtenlang door: zijn arts moest hem zelfs het schrijven verbieden. Betrekkelijk kort voor zijn dood werd hij, de veroordeelde, ridder in de Orde van Oranje-Nassau. September 1987 werd het eeuwfeest van De Mérodes geboorte gevierd. Er werd een monument onthuld en er was een herdenkingsdienst in Uithuizermeeden. De 81-jarige Okke betuigde zijn spijt in de Gereformeerde kerk, hij was te hard-vochtig geweest. Van NRC tot Gay-krant werd bericht over de schone jongeling die, oud geworden, zijn dode pedofiele meester eer bewijst.

Ziektevers (voor Okke)

Hij zat gemaklijk op den rand van 't bed,
En sprak van school en leuke jongensspelen,
En hoe de vreemde talen hem vervelen,
En van de vrije Zaterdagsche pret.

Ik luisterde gelukkig, want het was
Of 't leven aan mijn leger kwinkeleerde.
Kwellende koorts, die mij verdervend deerde,
Verdoofde, tot de felle pijn genas.

Toen ik, een avond lang en zeer bevreesd,
Ben voor de poorten van den dood geweest,
Kwam plots zijn jonge stem mij achterhalen.

Mijn oogen nog vol nare duisternis,
Zag ik verrast, hoe klaar de luister is
Van trouw, die onbevreesd zoo diep durft dalen.

Willem De Mérode



naar volgende pagina