naar voorpagina
naar vorige pagina
eens

eens zouden we komen
in het land onzer dromen
we zagen hem vliegen,
Peter Pan zou niet liegen

we hoorden zijn woorden
zijn zang die bekoorde

we volgden de vlucht
van Peter Pan in de lucht
we gingen hand in hand
op weg naar jongensland





bal

We waren maar knapen,
broekjes, snotapen,
maar voelden ons binken
die uit zouden blinken

We krijsten en gilden
en vochten als wilden.
We werden de helden
van drassige velden.

We voelden ons leven
in trillen en beven.
De vijand verslagen
door ons, jonge blagen.




tranen

ik heb een gecastreerde hond.
dagelijks vrij ik met hem.
hij likt me dan met zijn tong,
zijn neus laat vochtsporen achter,
hij knort onder mijn kietelen.
soms mag hij mee in bed,
niet altijd ...
om er geen gewoonte van te maken.
's ochtends wekt hij me met geblaf:
blaf, ... blaf ...
nog nat van mijn tranen.




kwaad

hoog rijzen glimmende bergen,
het struikgewas fluistert vrede.
zon warmt een jonge vreemdeling,
de dichter kijkt tevreden toe.

vrolijk fluit, zingt de jongen,
soepel beweegt zijn lichaam.
ver weg van alle veiligheid
gaat hij door het open veld.

onrustig trekken wolken samen,
het terrein wordt ruw en grauw.
de dichter zoekt venijnig woorden,
roept kwade machten aan.

zwaar gas dampt uit aarde op.
gif schuurt en brandt zijn huid,
scherpe hoge tonen snijden
diep in het jongenshoofd.

wreed ziet de dichter hoe
de jongen krampt en schokt,
het lichaam vorm verliest
en stil de dood ontvangt.




grote broer

hij kijkt mee over je schouder
op je vingers door het scherm
grote broer weet alles

hij voert het tempo op
ziet hoe je zucht en zweet
hoort hoe je klaagt en weent

alles gaat door - nonstop
grote broer meet alles

naar volgende pagina