naar voorpagina
naar vorige pagina
naar volgende gedicht op deze pagina
de ouwe Jacob

de ouwe Jacob
zit voor het raam
staart in de verte,
fluistert zijn naam

zal hij nog komen
die hij bemint
zijn lieve jongen,
zijn beste vrind

doebe doebe doe,
hij komt nooit weerom

hij kust de foto
voor de zoveelste keer
daar is een auto,
zijn hart gaat tekeer

een man stapt uit,
ouwe Jacob wordt raar
zijn vriend keert terug
na zeventien jaar

doebe doebe doe,
hij komt nooit weerom

de pijn is verdwenen
met al het verdriet
hij sloft naar de deur,
maar opent 'm niet
de jongen van toen werd
een lelijke nicht

luid klinkt de bel,
de deur blijft potdicht

(met dank aan Annie M.G. Schmidt


naar vorige gedicht op deze pagina
naar volgende pagina
de moeder

De moeder vraagt: wat ga je doen?
De zoon zegt: ik ga naar Jeroen.
Er is een heftig feest vandaag
bij een stel vrienden in Den Haag.

Ze zegt: maak je 't niet laat.
De jongen zucht, al bijna kwaad.
Daar gaat ie dan, hij zegt: so long,
en Moe bijt liever op haar tong
dan nog te vragen hoe of waar.
Het joch is amper zestien jaar,
En moeder denkt: wat DOEN ze daar?

De moeder vraagt: waar ga je heen?
Hij zegt: ik ga kamperen.
De moeder vraagt: met Jeroen alleen?
En in die dunne kleren?

De zoon zegt: met Mark en Wout.
En heus, moe, echt, 't is niet koud.
Hij roept nou dag, salú en gaat
en moeder denkt: kan 't geen KWAAD?

Zo zitten al die duizend ma's
zich zwijgend op te vreten.
Helaas helaas, helaas helaas,
zij zullen het niet weten.

Wat doet mijn zoonlief op de plas?
Jawel, ik weet, hij zeilt met Bas.
Hij zwemt met Rob of roeit met Piet,
maar wat ze DOEN, dat weet Ma niet.

(naar een vader-dochterliedje
van Annie M.G. Schmidt ca 1957)


j05