naar vorige pagina
Zinnen

Brave jongens

Kinderboekenweek, koopavond. Een drukke boekwinkel in de binnenstad van Delft. Scène voor twee heren: een jongeman en een verkoper. Beiden praten luid, zodat iedereen zonder moeite het gesprek kan volgen. Jongeman tegen verkoper: Heeft u voor mij 'Brave jongens'? Verkoper: Van welke uitgeverij? Jongeman noemt een naam. Verkoper zoekt op het scherm.

Verkoper: Ik heb voor u 'Echte Jongens', 'Slechte Jongens' en ook nog 'Mooie Jongens', maar ik zie geen 'Brave Jongens'. Jongeman roept heftig: Maar ik wil 'Brave Jongens', die moeten er zijn. Verkoper met nadruk: Er zijn 'Echte', 'Slechte' en 'Mooie Jongens', maar heus aan 'Brave Jongens' kan ik u niet helpen.

Jongeman praat steeds harder. Allerlei mensen volgen geïnteresseerd het gesprek, veel papa's en mama's die een kinderboek zoeken. De meesten geamuseerd. Jongeman: Ik moet 'Brave Jongens' hebben, dat is de vierde in die reeks. Het stond in de krant.

Verkoper: Kijkt u zelf, er zijn geen 'Brave Jongens'. Alleen 'Echte Jongens', 'Slechte' en 'Mooie'. Misschien krijgen we ooit nog 'Brave Jongens'. Zal ik u waarschuwen? Jongeman: Graag. Geeft u nu die 'Mooie Jongens', keurig verpakt, voor een verjaardag.

Verkoper: Goed meneer, als we 'Brave Jongens' in huis hebben, bellen we u. Jongeman: Ja, belt u me direct. Ik wil toch graag die 'Brave Jongens', lijkt me leuk. Hij verlaat de zaak. (Waar gebeurd. Er bestond inderdaad een serie boeken met die titels rond 1992. Een gewone conversatie of een act van twee Leuke Jongens?)




Waarschuwing

ja ja ja dat zou je wel willen
dat zou je denken
dat had je gedacht
nee nee nee dat weet ik wel
ik meen het goed met je
iedereen maakt weleens fouten
ik ben ook maar een mens
maar daar niet van
daar gaat het helemaal niet om
je had toch niet verwacht
je gelooft toch zeker niet
nee, dat meen je niet
hoe kun je dat nu zeggen
ik heb het beste met je voor
nee, dat kan ik niet aannemen
ik zal je wel verkeerd begrepen hebben
misschien heb ik je niet goed verstaan
daar zal het wel door komen
ja, daar heb je het al
heb je nu je zin
nu zie je het zelf eens
dat komt er nu van
eigen schuld hoor
ik heb je genoeg gewaarschuwd
je kunt niet zeggen
dat ik je niet gewaarschuwd heb
ben je nou helemaal
jij wou weer zo nodig
je zin doordrijven
wie niet luisteren wil
moet maar voelen
door scha en schande word je wijs
een goede leer voor de volgende keer
zeg ik altijd maar
hoe kon je ook zo stom doen
die jeugd van tegenwoordig
die wil ook wat zeggen
nou dat zie je
geen ogenblik kun je ze alleen laten
dat zou ik niet hebben moeten flikken
mij konden ze om een boodschap sturen
wat, nog een grote mond ook
wat moeten de buren wel denken
geen ontzag meer voor de ouderdom
ja, hou nu je mond maar
ik wil er niets meer over horen
begin maar weer opnieuw
je arme ouders
hou je mond, zei ik
ik waarschuw je
dat neem ik niet langer




Licht

Onverwacht een heftige kortdurende pijn. Ik glijd van mijn stoel en val op de harde grond. Ik vloei ineen, draai me van bloedvat naar bloedvat, haal de luchtkanalen, verwonder mij over de laatste gedachte die zich ophoudt in de hersencellen. Poes moet nog eten. Mijn mond opent zich. Ik zweef in de kamer. Ik zie mijn slappe lichaam op de vloer. Enkele mensen buigen zich over mij. Een meisje huilt een beetje. Ze snikt, maar niet om mij.

Ik ga door de plafonds die etages en mensen scheiden. Mooi gekleurde cirkels en ellipsen omringen mij. Ik breek door het dak, stijg steeds hoger. Ik vlieg diep in de stille, koele ruimte. Ik weet niet hoe lang de reis duurt. Minuten of jaren? Ik ben over de grenzen van dag en nacht. Dan word ik een gouden tunnel ingezogen. Aan het eind zie ik prachtige kleuren.

Opnieuw bepalen ruimtelijnen de vorm van mijn wezen. Ik sta voor een witte bok. Hij geeft me kopjes. In mij groeit een plant, gevoed door miljoenen gele sterren. Takken prikken door mijn huid, een kleed van bladeren bedekt me. Een orchidee klimt uit mijn mond. De bloem kleeft op de kop van de bok. Ik voel me even heel gelukkig en rustig. Dan hoor ik een suizend geluid.

Ik lig in een witte kamer, vastgebonden aan slangen. Een man zegt: 'Het was uw tijd nog niet'. Ik wil vloeken en schreeuwen, maar ik heb geen stem. De dokter zegt: 'Alles komt goed'. Hij begrijpt het niet. Ik verlang naar het prachtige licht in de tunnel. Langzaam rollen bittere tranen over mijn wangen.




Collage

Bleekwitte loomte flauwde in mij en ik had geen wil meer, keek alleennaar de jongen, bevendbegerend. Hij keek versuft, zonder mij te zien. Dehuid was fluwelig en gebruind. De armen, die onder de korte mouwen tevoorschijn kwamen, waren onbehaard en donzig als bij een kind, maar zevertoonden ook spierwelvingen die 'mannelijkheid' voorspelden. Onderzijn gezonde bruine huid leken zijn schedel en skelet naar voren tehellen, energiek, innemend, agressief, onguur. Zijn T-shirt, dat ooitwit geweest was, zag grauw van het vuil, net als zijn spijkerbroek, enplakte klam aan zijn huid. De rondingen van zijn borst en zijn buiktekenden zich af in de stof. Verscheurd tussen het kind en de man(onschuldig naïef en onverbiddelijk ervaren), was hij een derde soort.

Misschien had hij alle mannen met wie hij geweest was niet om hungezicht en mond en lippen, maar altijd om hun lichaam gekozen en mochteen avontuurlijke tong wel over zijn lichaam spelen, maar niet zijnmaagdelijke mond raken. Als ik iemand begeerde liet ik me in hemwegvloeien, vooral als het een vreemde was. Toen hij mijn glinsterendeblik opving gaf hij me het pijnlijke glimlachje dat gereserveerd wordtvoor mogelijke malloten.

Hoezeer de gestalte van de jongen mij ookopwond en mijn adem opjoeg, ik voelde me, bij al mijn hunkering naar hetdonkere, warme jongenslichaam onzeker, omdat ik altijd eerst alle anderemogelijkheden overweeg, en nooit echt kan geloven dat iemand zich totmij aangetrokken kan voelen. Ik kon niet aan zijn blik ontkomen,probeerde te lachen, maar voelde alleen een zenuwachtige, onzekere trekom mijn mond. En toen begon hij, me aanstarend, telkens weer tegen me teknikken, totdat ik op 't laatst zo geïrriteerd raakte door die herhaaldebeweging dat ik zijn hoofd met mijn beide handen vastpakte en hetstilhield alsof ik de slinger van een klok stopte.

Verlangende zinnen uit: Pijpelijntjes (Jacob Israël de Haan), Grandhotel Solitude (Eric de Kuiper), De tempel (Stephen Spender), De roepingvan het vlees (Willem Melchior), De pornografie (Witold Gombrowicz), Eenzaak van leven of seks (Oscar Moore), De lege kamer (Edmund White),Bezorgde ouders (Gerard Reve), Voor een verloren soldaat (Rudi vanDantzig), In een ondiep graf (James Purdy).



naar volgende pagina